Archell

Ik heb goede en slechte herinneringen aan mijn jeugd, zoals iedereen die kan hebben. Op Curaçao was ik als kind altijd buiten, dan speelde ik met mijn vriendje Elmer. Hij had een hele andere band met zijn ouders dan ik. Met Elmer werd gepraat terwijl in mijn omgeving slaan normaal was. Ik werd geslagen door een oom, een leraar en mijn ouders.

Doordat ik zag dat het er bij Elmer thuis anders aan toe ging, begon ik me af te vragen of het wel normaal was dat ik werd geslagen. Ik werd onzeker en vroeg me af of mijn ouders wel van mij hielden. Ik voelde me machteloos. Als ik terugkijk op mijn jeugd, zie ik dat mijn ouders niet beter wisten. In mijn cultuur, de Antilliaanse cultuur, bestaat er heel veel schaamte en taboe. Over opvoeden en slaan werd niet gesproken en ik kon er dus ook met niemand over praten. Het feit dat ik me bewust was van mijn situatie, betekende nog niet dat ik al in staat was om het te veranderen. Ik heb wel pogingen gedaan. Zo wilde ik als kind aangifte doen tegen mijn vader, maar de politie was onderdeel van hetzelfde systeem als waar mijn vader in zat. Hij was namelijk opzichter in de gevangenis. Ik werd door agenten meteen weer naar huis gebracht. De hele familie was boos door mijn actie en schaamde zich daarvoor.

Toen ik in Nederland kwam wonen op mijn 21e, nam ik de patronen van schaamte en de vuile was niet buiten hangen mee. Ik deed me anders voor dan ik was. Ik onderdrukte mijn onzekerheid door heel stoer doen. Ik ging trainen, kocht dure motoren waarvoor ik een lening afsloot. Daardoor had ik schulden en dat durfde ik met niemand te delen. Op een gegeven moment trok ik het niet meer en sprak ik erover met een paar mensen. Dat heeft me zo goed gedaan. Als je open en eerlijk in het leven staat en voorbij de taboes durft te bewegen, ontstaat er iets heel moois bij mensen, dan voel je je verbonden met elkaar.

Thuis praatten wij niet over gevoel. Ik heb mijn vader maar één keer in mijn leven zien huilen. Ik had er denk ik veel aan gehad als er iemand op jonge leeftijd aan me had gevraagd hoe ik me voelde. Dat was misschien voor mij wel de sleutel geweest. Ze noemen het emotionele weerbaarheid. Dat begon ik pas rond mijn 27ste te ontwikkelen. Leren praten over gevoel is daarbij heel belangrijk. Niet eens over kindermishandeling, niet eens over slaan maar juist over de emoties daarachter. Want als je daarover kan praten, voel je je begrepen. Gevoel is zo belangrijk. Als je het gevoel hebt dat iets niet klopt, luister daar dan naar, want meestal klopt het dan inderdaad echt niet. Zoek iemand die je kan vertrouwen, iemand die naar jou luistert. En als iemand aan je vertelt dat hij zich niet veilig voelt, probeer dan echt te luisteren. Geef niet meteen allerlei oplossingen, want misschien wil iemand zich gewoon even uiten. Misschien wil diegene weten of zijn gevoel klopt voordat hij overgaat tot handelen.

Door mijn gevoelens te gaan uiten ben ik uit mijn mentale gevangenis van schaamte en taboe ontsnapt. Dezelfde mentale gevangenis als waar mijn ouders ook in zaten, alleen waren zij zich ook nog eens niet bewust van hun patronen.

Ik hoop dat straks onze kleinkinderen geen last meer hebben van schaamte en taboe en dat er op school les wordt gegeven over onderwerpen als kindermishandeling en huiselijk geweld. Niet alleen in de Week tegen Kindermishandeling, maar het hele jaar door, zodat kinderen weten dat uiten van gevoel een net zo’n belangrijke les is als rekenen en taal.

Andere portretten